Basisvorming

Leerjaar 1 en 2 vormen samen de Basisvorming. De leerlingen hebben in principe aan het einde van het 2e leerjaar de Basisvorming afgerond.
In de 4e klas hebben de leerlingen een pakket van 6 vakken. Daarnaast volgt elke leerling de verplichte vakken maatschappijleer en lichamelijke opvoeding. Het exacte aantal lessen is afhankelijk van het gekozen vakkenpakket. Er wordt voor elke klas en clustergroep een goede spreiding van de vakken over de week nagestreefd.

In leerjaar 1 krijgen alle leerlingen 1 lesuur per week taalvaardigheid en 1 lesuur per week rekenvaardigheid. Hiermee komt de school tegemoet aan de nieuwe richtlijnen en ontwikkelingen op het gebied van het realiseren van een adequaat taal- en rekenniveau van alle leerlingen. Tevens krijgen alle leerlingen in de 1e klas 1 lesuur per week studievaaridigheden.

  • In leerjaar 2 krijgen alle leerlingen 1 uur per week taalvaardigheid en 1 uur per week rekenvaardigheid.
  • In leerjaar 3 krijgen alle leerlingen 1 uur per week taalvaardigheid en 1 uur per week rekenvaardigheid.

Het is voor alle leerlingen mogelijk om op dinsdag, woensdag en/of donderdag na schooltijd deel te nemen aan huiswerkbegeleiding in de huiswerkklas. Doel van deze “klas” is leerlingen te begeleiden die moeite hebben bij het maken van hun huiswerk. De begeleiding bestaat uit het helpen vinden van de juiste werkhouding en discipline, het ontwikkelen van strategieën en verkrijgen van beter inzicht in de leerstof. Een leerling kan via de mentor worden aangemeld voor de huiswerkklas.

De effectiviteit van het onderwijs en de begeleiding; ofwel ‘helpt de hulp?’

De effectiviteit van het onderwijs wordt zichtbaar op 3 gebieden binnen de school, te weten de organisatie, de klas/groep en de individuele leerling.

De kleinschaligheid van de school is zeer bevorderlijk voor het kwalitatief goed uitvoeren van onderwijs en extra begeleiding.

In het oog springende kenmerken daarbij zijn:

  1. De schoolorganisatie
  • Interne en externe communicatie verloopt langs korte lijnen. Teams, zorgteam, vaksecties en de verschillende werkgroepen zijn klein van omvang, dus eenvoudig en regelmatig beschikbaar voor overleg;
  • Door het beperkte aantal leerlingen dat door een mentor begeleidt wordt, kan de communicatie tussen de mentor en de ouders intensiever zijn;
  • Consequente, snelle en adequate afhandeling van de dagelijkse te laat komers, spijbelaars, uitgestuurde leerlingen, conflicten, enz. Registratie vindt plaats in het leerlingvolgsysteem van Magister;
  • Functionele, strakke surveillance en controle in en om de school.
  1. De groep/klas
  • In klas 1 worden alle leerlingen in de eerste 6 weken van elk nieuw schooljaar geobserveerd en (aanvullend) onderzocht/getest door leden van het zorgteam. In klas 2, 3 en 4 geldt dit voor de nieuw ingestroomde leerlingen. Dit ter voorbereiding of bijstelling van de groeps- en individuele handelingsplannen. Indien het wenselijk/nodig is dat een leerling van klas wisselt kan dat in deze periode worden gerealiseerd;
  • Het zorgteam vergadert, op basis van een vastgesteld schema, zeer regelmatig over de voortgang van de individuele leerlingen. (Tussentijdse) evaluatie van de handelingsplannen geschiedt 3x per jaar;
  • De mentor voert, naast de (ortho)pedagogische regie, ook de administratie over zijn klas. Hij verzamelt alle informatie m.b.t. de leerling: punten, handelingsplan(nen), voorzieningenpasjes, brieven, gele kaarten, gespreksverslagen en memo’s. Hij staat daarbij in nauw contact met de schoolleiding;
  • In het klassenboek zijn de vaste plattegronden, klassenregels en/of groepshandelingsplannen en voorzieningenpasjes opgenomen.
  1. De individuele leerling
  • Begeleiding door de mentor, vakleerkrachten en zorgteam gebeurt op basis van een gecoördineerde en in overleg vastgestelde (ortho)pedagogische en (ortho)didactische strategie, beschreven in een handelingsplan;
  • Het individuele handelingsplan bevat het doel, de inhoud en de werkwijze van de geplande (extra) begeleiding;
  • Toetsing van de leerstof vindt zeer gevarieerd plaats. Waar mogelijk en wenselijk uitgaand van en rekening houdend met de hulpvraag van de leerling.

 

Voortgang en doorstroom
Voor klas 1 t/m 3 is er vier keer per schooljaar een rapportvergadering. Voor de vierde klas is dit drie keer, na de schoolexamens. Volgend op deze vergaderingen krijgen de leerlingen hun cijferrapport.

Aan het eind van het schooljaar wordt bekeken of een leerling naar het volgend leerjaar kan overgaan. Dit gebeurt in de overgangsvergadering. Bij deze beslissing wordt gekeken naar:

  1. alle behaalde cijfers;
  2. de behaalde beoordelingskenmerken;
  3. vakkenpakket (bij de overgang van klas 3 naar 4).

De vergadering gebruikt de overgangsnormen die elk schooljaar worden vastgesteld.

Niet alleen de cijfers bepalen of een leerling overgaat. Er wordt rekening gehouden met individuele situaties, vorderingen m.b.t. het individuele handelingsplan (indien van toepassing) en de discrepantie die er kan zijn tussen mogelijkheden en succes. Plaatsing voor de derde maal in hetzelfde leerjaar is niet mogelijk; er zal dan naar alternatieven moeten worden gezocht.

In de rapportvergadering wordt elke leerling besproken en wordt er in het bijzonder gekeken naar de prestaties en de vaardigheden. Bij elk rapport wordt door de mentor en het docententeam dat les geeft aan een klas aan de hand van een aantal criteria de vraag beantwoordt of een leerling (nog) op het goede niveau zit. Wanneer dit niet het geval is wordt dit schriftelijk aan de ouders/verzorgers meegedeeld en wordt er besproken wat de beste oplossing voor de ontstane situatie is.

 

Maatschappelijke vorming, actief burgerschap en sociale integratie
De school beschouwt het als onderdeel van haar missie om in het pedagogische en sociale proces zichtbaar tijd en ruimte op te nemen voor de bewustwording en ontwikkeling van de leerlingen tot actieve deelnemers aan het maatschappelijke leven.

De vorming van onze leerlingen tot zelfstandige, betrokken en geëngageerde burgers krijgt gestalte in de vorm van een aantal (onderwijs)activiteiten. Bij de voorbereiding en uitvoering van een groot deel van deze activiteiten speelt de mentor een belangrijke begeleidende en sturende rol.

We kunnen deze activiteiten benoemen en verdelen in enkele categorieën:

Activiteiten die als vakgebonden kunnen worden beschouwd:

  • In de cultuurworkshops worden vakoverstijgende thema’s in relatie gebracht met maatschappijleer en CKV (leerjaar 3 en 4).
  • Excursies met relevante maatschappelijke inhoud; bijvoorbeeld naar voormalig Kamp Westerbork, Oorlogsmuseum Overloon, Xanten en Europoort.

Activiteiten die binnen lessen en lestijden vallen:

  • Uitvoering van de methode “Leefstijl”, een programma waarin sociale vaardigheden, groepsvorming en individuele vorming getraind worden (leerjaar 1).
  • Deelname aan het “vuurwerkpreventieproject” van de stichting Halt (leerjaar 1).
  • Afsluiting van de introductieperiode d.m.v. een werkweek met culturele en maatschappelijke thema’s (leerjaar 1).
  • Werkweken met thema’s als genotmiddelen en verslaving (leerjaar 2), politie & justitie (leerjaar 3).
  • Praktische sectororiëntatie; als onderdeel van het keuzeproces en eerste kennismaking met de wereld van opleidingen en beroepen (leerjaren 2 en 3).
  • Oriëntatie op Leren en Beroep; als onderdeel van het keuzeproces en verdieping in de wereld van opleidingen en beroepen (leerjaar 4).
  • Culturele en maatschappelijke vorming door theater- en andere producties (leerjaar 1 t/m 4).
  • Deelname aan EMOVO, een onderzoeksproject naar de gezondheid en het gedrag van jongeren (leerjaren 2 en 4).
  • Sportieve activiteiten om leerlingen in contact te laten komen met verschillende (buiten)sporten en hen te wijzen op het belang van voldoende beweging. Schoolbreed worden er, in met name werk- en projectweken, sportactiviteiten gepland zoals zwemmen, klimmen, schaatsen, wandelen, e.d.
  • Vieringen: van verjaardagen, via Sinterklaas tot en met Kerstmis. Met aandacht voor niet Nederlandse en niet christelijke feestdagen, vieringen en gebeurtenissen zoals de Ramadan,  Suikerfeest, e.d (leerjaar 1 t/m 4).
  • De actualiteit van persoonlijke, lokale, regionale, landelijke en mondiale gebeurtenissen wordt te allen tijde toegelaten tot het schoolleven. De aanleiding is ter beoordeling van de vakdocent en de mentor, maar ook aan de schoolleiding al naar gelang het belang en de ernst van de gebeurtenis.

Activiteiten die als buitenschoolse activiteiten beschouwd worden:

  • Diverse activiteiten ter voorbereiding en als onderdeel van het keuzeproces voor vervolgopleidingen die door de decaan worden gecoördineerd (leerjaren 2, 3 en 4).
  • De 4-daagse buitenlandse reis naar Engeland (Londen). Met expliciete aandacht voor aspecten van de andere cultuur, etnocentrisme bestrijding, Europese eenwording, e.d (leerjaar 4).
  • Theaterbezoek in reguliere avondvoorstelling (leerjaar 4).

Overige activiteiten:

  • Na het kerstontbijt dat in de mentorklassen plaatsvindt worden overgebleven en in goede staat verkerende etenswaren traditioneel naar dak- en thuislozenopvang “Het Kasteel” gebracht (leerjaar 1 t/m 4).
  • Door middel van de opbrengsten uit de zogenaamde koekdagen (zelfgebakken koekjes e.d. verkopen) wordt een goed doel, het Kiran Fonds, gesteund (leerjaar 1 t/m 4).
  • Corvee. De leerlingen van de onderbouw houden per toerbeurt het schoolplein en de aula schoon van zwerfafval na de pauzes. De leerlingen van de bovenbouw houden dagelijks per toerbeurt na de middagpauze een beperkt gebied rondom de school schoon van zwerfafval.
  • Toepassing van het anti-pest protocol, als onderdeel van het anti-pesten beleid van de school.

Cultuurbeleid

De school heeft een cultuurbeleidsplan. Hierin staat de visie van de school op de culturele ontwikkeling van de leerlingen beschreven en er is in opgenomen hoe we dat willen bereiken en realiseren. Om de uitvoering van de culturele activiteiten goed te kunnen organiseren wordt er onder andere voor gekozen om de activiteiten samen te brengen in van te voren vastgestelde Cultuurdagen, project-  en werkweken die opgenomen worden in de jaarplanning. Onderdeel van het cultuurbeleid zijn verder:

  • De leerlingen krijgen een cultuurkaart
  • De leerlingen maken een cultureel dossier
  • Voor de culturele activiteiten komt er een doorlopende leerlijn van leerjaar 1 naar leerjaar 4
  • De leerlingen krijgen, zowel in de onderbouw als in de bovenbouw, kunstonderwijs in alle disciplines.

Burgerschap en maatschappelijke stage 

De school beschouwt het als onderdeel van haar missie om in het pedagogische en sociale proces zichtbaar tijd en ruimte op te nemen voor de bewustwording en ontwikkeling van de leerlingen tot actieve deelnemers aan het maatschappelijke leven.

De vorming van onze leerlingen tot zelfstandige, betrokken en geëngageerde burgers krijgt gestalte in de vorm van een aantal (onderwijs)activiteiten. Bij de voorbereiding en uitvoering van een groot deel van deze activiteiten speelt de mentor een belangrijke begeleidende en sturende rol.
De school heeft een beleidsplan burgerschapsvorming en maatschappelijke stage. Hierin wordt de ontwikkeling betreffende het burgerschapsonderwijs inclusief de maatschappelijke stage voor de komende jaren nader omschreven. Zo zal er voor elke leerling een portfolio burgerschap komen. Hierin wordt de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerling gevolgd en geëvalueerd. Bij de taken en activiteiten die in dit portfolio opgenomen zullen worden staan drie uitgangspunten centraal. Ten eerste de Nederlandse democratische waarden en normen. Ten tweede het actief meedoen aan maatschappelijk relevante activiteiten in, om en buiten school en ten derde de vorming van de identiteit van de leerling in wisselwerking met zijn/haar omgeving.
De maatschappelijke stage vormt een onderdeel van het burgerschapsonderwijs op de Jorismavo. In de stage worden  kennis en vaardigheden met betrekking tot burgerschap in de praktijk gebracht. Hierbij maken de leerlingen kennis met groepen en instellingen in de samenleving waar ze waarschijnlijk anders niet zo snel mee in contact zouden komen. Bovendien leren de leerlingen wat het is om vrijwillig een bijdrage te leveren aan de samenleving.
Zowel het burgerschapsonderwijs als de maatschappelijke stage houden rekening met de specifieke zorgvraag van onze leerlingen. Daarbij staat kleinschaligheid en veiligheid hoog in het vaandel. De maatschappelijke stage zal daarom in eerste instantie zoveel mogelijk binnen en om de school plaats vinden. De school en haar omgeving is een samenleving in het klein en daarom een oefenplaats ter voorbereiding op deelname aan de maatschappij. In de derde klas zullen de leerlingen hun maatschappelijke stage afronden met een stage buiten de school bij een non-profit organisatie naar eigen keuze. De school zal de keuze, de voorbereiding en het verloop van de stage begeleiden en coördineren in samenwerking met de Vrijwilligerscentrale Nijmegen.